The Canticle of the Dragon
Posted: Sun Jan 25, 2009 17:30
Hymne der Draken, door de elfse bard Quivalen Soth, zoals vertaald uit het elfs door Tanis
Hoor nu de wijsgeer dichtend als hemelse tranen
die de jaren, het stof veler sagen,
wassen van het Verhaal der Drakenlans.
Want in verre tijden,
voor geheugen en woord,
in de eerste blos der aarde,
toen de drie manen verrezen,
streden draken, groot en sterk,
op deze wereld van Krynn.
Maar uit de duisternis van draken, uit ons smeken om licht,
in het lege zwart van de hoge maan,
ontstak een schijnsel in Solamnis,
een ridder van waarheid en macht,
die de goden zelf aanriep
en de sterke Lans smeedde,
de ziel der draken doorborend,
de schaduw hunner vleugels verjagend
van 's werelds heldere dageraad.
Huma, Ridder van Solamnia, Lichtbrenger, Lansenier,
volgde zijn licht naar de voet der Khalkists,
stenen voeten der goden, nederige rust hunner tempel,
hij gebood de Lansmakers,
hij nam hun onspreekbare macht aan
om het onspreekbare kwaad te pletten,
om het woelende duister
door de drakenkeel terug te stoten,
uit Krynns geschiedenis.
Paladinus, Grote God van Goed
straalde aan Huma's zijde,
de lans van zijn sterke arm versterkend,
en Huma, schijnend in duizend manen,
verbande de Zwarte Vorstin,
met haar zwerm van krijsende dienaren,
terug haar gevoelloze doodse rijk in,
waar zij vloeken wierpen op niets en niets,
diep onder de heldere dag.
Zo eindigde de Dromentijd in donder
en begon de Tijd van Macht
Toen Istar, rijk van licht en waarheid, ten oosten verrees,
waar minaretten wit en goud
naar de zon en haar schittering staken,
de dood van het kwade uitroepend,
en Istar, die de lange goede zomers wiegend verzorgde,
blonk als een meteoor van eer
in Krynns witte luchten.
Maar in de volheid van zonlicht
zag Istars Koningspriester duister:
's nachts zag hij bomen als dingen met dolken,
stromen verschroeid en verdikt onder de stille maan.
Hij doorzocht boeken naar Huma's wegen
naar rol, teken en spreuk
zodat ook hij goden kon roepen,
hun hulp kon vinden bij zijn heilig doel,
Krynn van zonde te reinigen.
Toen kwam de tijd van duister en dood,
de goden verlieten ons.
Een berg van vuur stortte als een komeet door Istar,
de stad spleet als een schedel in vlammen,
bergen sprongen uit rijpe dalen,
zee liep de graven der bergen in,
woestijnen zuchtten op verlaten zeebodems,
De straatwegen barstten open
en werden Krynns paden der doden.
Zo begon de Tijd van Wanhoop.
Weg verstrengelde.
Wind en zandstorm dwaalden rond in het kaf der steden,
Vlakte en berg werden ons tehuis.
Oude goden verloren macht,
we riepen naar een lucht leeg
in het koude grijs, naar de oren van nieuwe goden.
De luchten zijn kalm, stil, onbeweeglijk.
Krynn wacht nog op antwoord.
Hoor nu de wijsgeer dichtend als hemelse tranen
die de jaren, het stof veler sagen,
wassen van het Verhaal der Drakenlans.
Want in verre tijden,
voor geheugen en woord,
in de eerste blos der aarde,
toen de drie manen verrezen,
streden draken, groot en sterk,
op deze wereld van Krynn.
Maar uit de duisternis van draken, uit ons smeken om licht,
in het lege zwart van de hoge maan,
ontstak een schijnsel in Solamnis,
een ridder van waarheid en macht,
die de goden zelf aanriep
en de sterke Lans smeedde,
de ziel der draken doorborend,
de schaduw hunner vleugels verjagend
van 's werelds heldere dageraad.
Huma, Ridder van Solamnia, Lichtbrenger, Lansenier,
volgde zijn licht naar de voet der Khalkists,
stenen voeten der goden, nederige rust hunner tempel,
hij gebood de Lansmakers,
hij nam hun onspreekbare macht aan
om het onspreekbare kwaad te pletten,
om het woelende duister
door de drakenkeel terug te stoten,
uit Krynns geschiedenis.
Paladinus, Grote God van Goed
straalde aan Huma's zijde,
de lans van zijn sterke arm versterkend,
en Huma, schijnend in duizend manen,
verbande de Zwarte Vorstin,
met haar zwerm van krijsende dienaren,
terug haar gevoelloze doodse rijk in,
waar zij vloeken wierpen op niets en niets,
diep onder de heldere dag.
Zo eindigde de Dromentijd in donder
en begon de Tijd van Macht
Toen Istar, rijk van licht en waarheid, ten oosten verrees,
waar minaretten wit en goud
naar de zon en haar schittering staken,
de dood van het kwade uitroepend,
en Istar, die de lange goede zomers wiegend verzorgde,
blonk als een meteoor van eer
in Krynns witte luchten.
Maar in de volheid van zonlicht
zag Istars Koningspriester duister:
's nachts zag hij bomen als dingen met dolken,
stromen verschroeid en verdikt onder de stille maan.
Hij doorzocht boeken naar Huma's wegen
naar rol, teken en spreuk
zodat ook hij goden kon roepen,
hun hulp kon vinden bij zijn heilig doel,
Krynn van zonde te reinigen.
Toen kwam de tijd van duister en dood,
de goden verlieten ons.
Een berg van vuur stortte als een komeet door Istar,
de stad spleet als een schedel in vlammen,
bergen sprongen uit rijpe dalen,
zee liep de graven der bergen in,
woestijnen zuchtten op verlaten zeebodems,
De straatwegen barstten open
en werden Krynns paden der doden.
Zo begon de Tijd van Wanhoop.
Weg verstrengelde.
Wind en zandstorm dwaalden rond in het kaf der steden,
Vlakte en berg werden ons tehuis.
Oude goden verloren macht,
we riepen naar een lucht leeg
in het koude grijs, naar de oren van nieuwe goden.
De luchten zijn kalm, stil, onbeweeglijk.
Krynn wacht nog op antwoord.