Level 6 - Look at me!
Het begin van het verhaal...
HOE DE HELDEN ELKAAR ONTMOETTEN

Flint
Het begon allemaal met Flint.
Flint was een hilldwarf uit de wildernis van de Kharolis Bergen. Eeuwen eerder had zijn vader in de Dwarfgate Wars tegen de dwergen van Thorbardin gevochten. De beide legers werden vernietigd in de laatste slag van die oorlog, en de bergdwergen sloten de poorten van Thorbardin voor altijd. Met de hilldwarves, en hun verbrokkeld koninkrijk, ging het veel slechter - ze raakten verdeeld in kleine clans. Flint groeide op in de armoede van die bergen, en had het geluk bij een goede goudsmid in dienst te treden. Maar toen hij volwassen werd, moest hij er op uit om zijn vak uit te oefenen, want er was niet genoeg vraag in de Kharolis bergen. Hij vertrok, En in het geheim stelde hij zichzelf voor hoe hij rijk en machtig terug zou keren om zijn volk te herenigen.
Nadat hij een tiental jaren rondgetrokken had, kwam Flint in Solace en vestigde zich daar, omdat een aantal belangrijke handelsroutes elkaar daar kruisten (en het één van de beste herbergen in de bekende wereld had: Het Laatste Huis). Vanuit Solace reisde hij ver, want er was een grote vraag naar zijn vaardigheden: na jaren ervaring was hij een uitstekende goudsmid geworden, en ook zijn houtsnijwerk mocht er wezen. En zijn faam reikte ver; hij werd zelfs een geaccepteerd bezoeker in het elfenkoninkrijk Qualinesti, dat zich sinds de Dwarfgate Wars weinig aan de buitenwereld gelegen liet en waar met wantrouwen naar vreemdelingen gekeken werd.
Maar Flint was altijd populair bij de kinderen, en de elfenkinderen waren daarop geen uitzondering. De dwerg maakte prachtig en ingenieus speelgoed, zowel van hout als metaal. Eén van de jongelingen die graag naar de werkende dwerg keek was Tanis, een half-elf, en onder voogdij van de Speaker of the Suns, de heerser over Qualinesti. En door de jaren heen merkte Flint dat hij steeds meer uitzag naar het voorjaar, als hij zijn traditionele reis naar Qualinesti ondernam, en zijn soms eenzame dagen verlichten kon met Tanis' jeugdige aanwezigheid. En als Tanis 's avonds naar Flints verhalen over verre landen en vreemde gebeurtenissen luisterde, voelde hij de vreemde opwelling deze dingen met eigen ogen te zien en mee te maken. Zo groeide er door de jaren heen een band tussen de twee, verbonden als ze waren door hun anders-zijn van de rest: een band als tussen een oudere en een jongere broer.

Tanis
Tanis voelde dat hij niet in de elfse maatschappij paste, vooral omdat hij half mens was. Hij voelde het verschil tussen zichzelf en zijn elfse familie erg sterk - misschien sterker nog dan de elfen. Zijn onrust, en het innerlijke conflict werd steeds schrijnender naarmate hij ouder werd - en hij werd zoveel sneller ouder dan de anderen. Tanis' conflict bereikte een toppunt toen Laurana, dochter van de Speaker of the Suns, verliefd werd op haar kindervriendje en hem een aanzoek deed. Tanis voorzag de problemen die dit zou veroorzaken, en was niet zeker van zijn eigen gevoelens voor Laurana. Daarom besloot hij eerst Qualinesti te verlaten en meer over zijn menselijke kant te leren, en reisde hij naar Solace om Flint te bezoeken.
Tanis kwam vijfentwintig jaar voor het begin van het grote avontuur van de Inn- fellows in Solace aan, in de herfst van het jaar 325. Hij was bijna tachtig: een jonge man voor de elfen. Daar verwelkomde Flint hem hartelijk, want hij was eenzaam. Hij nam de jonge half-elf mee op een zakenreisje naar Haven, een nabij gelegen stad, en Tanis was behalve gezellig ook geschikt voor minder aangename taken: het boekhouden, het verzamelen van verlopen rekeningen en het uit de taveernes houden van de dwerg. Bovendien vermaakte Tanis rijke klanten met elfse verhalen en liederen, en zijn goede humeur en scherpzinnigheid maakten dat Flint Tanis ervan beschuldigde hem een tweede jeugd op te dringen. Kortom, het ging goed met de zaken, hun vriendschap verdiepte zich en Flint - praktisch als altijd - besloot al snel dat Tanis zijn partner moest worden, en zo gebeurde het.

Kitiara
Ongeveer in de tijd dat Tanis en Flint samen gingen werken, vertrok een vijftienjarig meisje uit Solace om zelf avontuur te vinden, en deze opmerkelijke dame heette Kitiara Majere.
Haar vader, Tristan uth Matar, was knap op een donkere, flitsende manier, en stamde uit een oud adelijk geslacht uit het noorden, uit Solamnia. Door zijn woeste temperament was hij niet geschikt voor een rustig en stil leven thuis, dus hij was veel op reis, te huur voor iedereen die hem kon betalen, als soldaat of als lijfwacht. Want zo was zijn leven, en nooit leefde hij intenser dan wanneer hij vocht. "De macht en de waarheid, dat is het zwaard", zei hij dan.
Toch was er een kloof tussen hem en zijn gezin, en sommigen zeiden (maar nooit waar hij bij was), dat hij een vreselijke wandaad had begaan, en dat zijn familie hem daarom naar het zuiden verbannen had. Hoe het ook zij, het was bekend dat hij niet welkom was in zijn eigen land, hoewel hij af en toe wel wat geld ontving van zijn familie.
Tijdens de langdurige trektochten voor zijn huwelijk was hij een heuse rokkenjager en hij speelde met vrouwen alsof ze een soort duur speelgoed waren. Tot de dag kwam, dat hij het ongeluk had hartstochtelijk verliefd te worden op een kwetsbare, fijnzinnige vrouw ver weg in het zuiden: Rosamun uit Caergoth. En hals over kop, zoals dat bij hem ging, haalde hij haar over met hem mee te gaan, op weg naar welvaart en geluk. En omdat zij een droomster, een zieneres en romantisch was, was zij al snel overtuigd: haar aanbidder was alles waar ze ooit over had gedroomd, knap, sterk en rijk. Ook haar ouders waren bijzonder verheugd: niet alleen had hun ietwat labiele dochter een man gevonden, hij was nog rijk ook en zei hun dat hij aan een bruidschat geen behoefte had.
Dus waren zij al snel getrouwd, en ze vestigden zich in een welvarend dorpje waar niemand hem of zijn familie kende: aan de andere kant van de New Sea, in Solace. Daar bouwden ze een huis, en leefden voor een tijdje van de door hem verzamelde rijkdom. Ze kregen één kind, een dochter, en ze noemden haar Kitiara - een naam die de mensen in Solace vreemd en rauw in de oren klonk.
Maar het geld raakte op, en hij verliet zijn nieuwe tehuis regelmatig om voor ieder die hem kon betalen te vechten. En door de jaren heen werden zijn reizen langer en langer, en keerde hij steeds minder vaak terug. En er werd gefluisterd dat hij niet langer in staat was nog kinderen te verwekken, en dat hij daarom zijn vrouw niet langer wilde zien en zo aan zijn eigen falen herinnerd zou worden. Hoe dan ook, als hij thuis was, was zijn genegenheid gereserveerd voor zijn dochter, en met enthousiasme leerde hij haar het leven van een soldaat - het enige leven dat hij kende.
En dat begon al vroeg: Kitiara liep al snel en overal achter haar vader aan, en vond niets zo fascinerend als de spiegelingen in zijn gepoetste harnas. Toen ze zes werd, kreeg ze van haar vader haar een eenvoudige dolk, en op haar negende nam hij haar mee op een veldtocht, waar ze haar eerste veldslag zag. Haar vader had haar zwarte haar kortgeknipt, en stelde haar voor als zijn zoon. De oudere soldaten verbaasden zich, want niet alleen was ze niet bang uitgevallen, ze maakte ook nog eens een paar slimme opmerkingen over het verloop van de strijd. En Kitiara genoot met volle teugen, ze hield van dit leven: de opwinding die haar vervulde bij het uitzicht op een veldslag, de geuren en geluiden van het slagveld. Ze begon zich te oefenen in het gebruik van zwaard en schild, en niet lang daarna betrapte haar moeder haar erop dat ze ingewikkelde troepenmanoeuvres met een stokje in het zand zat na te tekenen. Urenlang kon ze bezig zijn met het oliën en poetsen van haar wapengerei en harnas, terwijl haar vader haar vertelde over zijn trots en zijn leven: het slagveld. Daarbij leerde hij haar de drie belangrijkste zaken die hij kende: geef je nooit over, probeer op alle mogelijke manieren te winnen, en macht is de enige waarheid in deze wereld.
Toen kwam de dag dat haar vader besloot zijn vrouw en familie achter te laten, de dag dat zijn verlangen naar strijd en avontuur in verre landen uiteindelijk sterker bleek dan de tanende liefde voor zin vrouw. Die avond, na het eten, vertelde hij zijn gezin dat hij niet meer terug zou komen. Zijn vrouw slikte eens, en een enkele melancholieke blik verraadde dat dit voor haar niet onverwacht kwam, en berustend stemde zij er in toe hem van zijn huwelijk te verlossen. Die nacht vertrok hij voor goed, maar voor hij ging nam hij zijn dochter apart en beschreef haar een wapen. Hij vertelde, dat dat zijn familiewapen was, en als ze ooit in de problemen zat, zou ze naar het noorden kunnen reizen en haar familie opzoeken. Hij waarschuwde het meisje dat ze onvriendelijk op haar zouden kunnen reageren, maar daar waren de familiebanden sterk en ze zouden haar niet in de steek laten.
Het was een vreemd afscheid: kalm en zonder tranen - haar moeder berustend en Kitiara stoïcijns, zoals het een goed soldaat betaamt. Maar bij zichzelf zwoer ze dat ze alleen haar familie zou opzoeken wanneer ze hun zou kunnen laten zien dat zij even goed als zij was. Haar vader steeg op zijn paard, en reed weg zonder om te kijken. Vanaf die dag hield ze haar donker, krullend haar kort in voorbereiding op de dag dat ze een soldaat zou worden. Kitiara was vastbesloten...op een dag zou ze haar vader achterna gaan, en net als hij voor zichzelf een avontuurlijk bestaan in de wereld uitkerven.
Haar moeder trouwde snel weer. Deze keer koos ze wijs: een aardige, hardwerkende houthakker: Gilon Majere. Het was een eenvoudige man met de vaardigheid iemand diep in het hart te kunnen zien. Hij begreep zijn vrouw niet altijd, maar koesterde en beschermde haar. Zij had sinds het vertrek van Kitiara's vader af en toe last van trances en flauwtes, maar dan zorgde hij voor haar en maakte haar het leven zo gemakkelijk mogelijk. Ze hadden niet veel geld, en dat was een vooortdurende bron van zorgen voor hem. De enige valse noot die af en toe klonk was Kitiara, die zich ontwikkelde tot een wispelturige puber. Hij kon niet opschieten met zijn stiefdochter, maar hij had dit al vanaf het begin gezien en was slim genoeg om te weten dat het beste dat hij met Kitiara kon doen, was haar met rust laten.

Caramon en Raistlin
Toen Kitiara tien jaar oud was, baarde haar moeder tweelingbroers. De één was een sterke en gezonde baby, maar de andere stierf bijna bij de geboorte. De moeder werd ziek, en bleef nog maanden nadat haar zonen geboren waren zwak en misselijk. Hoewel hij erg blij was met de geboorte van twee zoons, betekende dat wel dat hij dag en nacht moest werken om zijn familie te onderhouden. Van de buren moesten ze het ook al niet hebben - die hadden hen altijd ontweken, dus het viel Kitiara ten deel voor de baby's te zorgen - vooral voor de zwakke. En zo gebeurde het, dat Kitiara zich vermande en gedwongen werd snel volwassen te worden - maar ze ging de uitdaging aan.
Kitiara's eerste echte slag was er een tegen de dood. Het zwakke jong werd elke dag magerder, en 's nachts hoestte het amechtig zodat niemand erg veel slaap kreeg, behalve de andere jongen, die zich steevast omdraaide en verder sliep. Maar Kitiara was vastbesloten dit gevecht te winnen, en, toen alle anderen de hoop hadden opgegeven, verzorgde ze de baby; ze was niet weg te slaan van de eenvoudige wieg in de hoek van de kamer, en als ze niet af en aan liep met warme melk, vochtige doeken dan praatte ze met het zieke jongetje en probeerde hem met grapjes en rare gezichten aan het lachen te krijgen. En zo, met de kracht van haar eigen wil, dwong ze hem te leven. Ze triomfeerde - de baby bleef leven!
De broers werden Caramon en Raistlin genoemd, en de moeder van de kinderen herstelde. Maar na haar beproeving herwon ze nooit meer haar vorige kracht, in geest noch lichaam. Ze was er tevreden mee dat haar dochter de jongens opvoedde. En Kitiara had plezier in haar rol als vervangende moeder voor haar broers. Stiekem hoopte ze haar broers als soldaten op te kunnen voeden, als ideale luitenants onder haar bevel - tot ze ontdekte dat maar een van hen daar sterk genoeg voor was: Caramon, de eerstgeborene. Raistlin, de tweelingbroer die bijna was gestorven, bleef zwak en ziekelijk. Een paar rondes met zijn broer en Kitiara's houten zwaardjes, en hij was uitgeput.
Tenslotte was het haar stiefvader die de sleutel ontdekte die Raistlins toekomst zou openen.
Op een dag, toen de tweelingbroers bijna vijf waren, nam hij hen mee naar een jaarmarkt in het dorp. Ze keken naar een plaatselijke goochelaar die Waylan heette. Hij was niet erg goed, maar de kunsten die hij vertoonde konden er in de kleine dorpjes mee door; en ook in Solace trok zijn voorstelling de aandacht van een wijd publiek. Hij deed een paar gewone truukjes met de handen en een paar echte magische spreuken. Caramon keek een tijdje met een open mond, en verloor toen zijn interesse. Maar Raistlin zat daar in stilte, onbeweeglijk, gefascineerd in de rumoerige chaos van het publiek. Caramon liep weg om van de andere zaken op de jaarmarkt te genieten, maar Raistlin bleef de hele dag bij de goochelaar, en bekeek zijn opvoering keer op keer. En later op de avond, na het eten, verbijsterde Raistlin zijn ouders en zijn broer: hij was in staat alle goocheltoeren perfect na te doen!
En zo gebeurde het, dat toen de houthakker en zijn stiefdochter elkaar aankeken zij onmiddellijk beseften dat de weg die Raistlin moest gaan, de weg van de magie was. Gelukkig voor Raistlin nam de houthakker de jongen niet mee naar de goochelaar, maar bracht hem naar Meester Theobald, een magiër met een grote reputatie die vlakbij Solace woonde. Daar werden ze ietwat koel ontvangen door de Meester - hij had al genoeg leerlingen, en zag bovendien wel aan de kleding van de Majeres af dat hij geen grote toelage hoefde te verwachten. Maar toen hij het verhaal van de jaarmarkt hoorde, was hij wel enigzins nieuwsgierig geworden naar dit wonderkind, en was hij bereid Raistlin te testen op aanleg en vaardigheden.
Hoe dan ook, de Meester was niet vreselijk ingenomen met de jongen. Raistlin was één van die kinderen die het volwassenen erg oncomfortabel maken: hij sprak zelden, maar kon naar mensen staren alsof hij hun gedachten las. Hij bleek een fenomenaal geheugen te hebben en kon lange, ingewikkelde verhalen herhalen na ze één keer gehoord te hebben. Hij was vrij goed in wiskunde - vooral wanneer het om geld ging. Verder merkte de Meester ook dat Raistlin een deel van zijn moeders geestelijke vaardigheden had geërfd, hoewel hij niet getraind was en ze niet kon beheersen. Maar, vertelde de Meester vader Majere, hoewel al deze vaardigheden het kind ten goede kwamen en betekenden dat het zeer intelligent was, betekende het niet noodzakelijk dat Raistlin geschikt was voor de veeleisende studie van magie. Het grootste probleem was volgens de Meester nog wel, dat Raistlins gezondheid nog altijd te wensen over liet. Theobald vertelde er maar niet bij, dat hij het enigzins van het eigenzinnige jong op zijn heupen kreeg.
En terwijl de Meester dit allemaal tegen Majere zei, realiseerde hij zich plotseling dat Raistlin niet langer in het vertrek was. Na een korte zoektocht vonden ze hem comfortabel in de werkkamer - een plaats die voor de leerlingen normaal gesproken verboden gebied was. Daar zat hij in de grote leren stoel van de Meester, met een reusachtig boek op zijn knieën, een blik van uiterste concentratie op zijn gezicht. De Meester fronste. "Je zou niet met die boeken moeten spelen," zei hij streng tegen hem, en maakte aanstalten het boek uit Raistlins handen te pakken.
Raistlin keek naar hem op met grote, donkere ogen die te groot leken voor zijn kleine, bleke gezicht. "Ik speel er niet mee," zei het kind koel, "ik lees het." De Meester stond versteld. "Dat is onmogelijk," verklaarde hij, "er zijn jaren studie nodig om magie te kunnen lezen." De jongen haalde zijn schouders op en begon de geheimzinnige worden hardop voor te lezen. De ogen en de mond van de Meester vielen open van verbazing, tot hij opeens "Stop!" schreeuwde, toen hij een akelig visioen kreeg van de jongen die onbedoeld een demon in zijn bibliotheek opriep. En Raistlin stopte met lezen, een klein lachje op de lippen - voor hij opstond en naast zijn verblufte vader ging staan. Meester Theobald zuchtte eens diep en sloot zijn ogen. Hij besefte dat deze jongen niet te stoppen was, en dat het beter was zijn onmiskenbare talent in goede banen te leiden, ondanks het feit dat hij er persoonlijk niet veel enthousiasme voor kon opbrengen. En zo werd Raistlin als leerling aangenomen.
En al snel zag de familie Majere dat Raistlin daar op zijn plaats was, ook al ging het hem alleen om de magie en konden de andere leerlingen hem gestolen worden - een sentiment dat overigens volledig wederzijds was. En toen Kitiara zag dat Raistlin eindelijk vaardigheden leerde die hem (en misschien haar) later van pas zouden komen, en ook dat Caramon groter en sterker werd dan de andere jongens van zijn leeftijd, en dat hij zelfs op zijn vroege leeftijd haar lessen goed kon volgen, besloot ze dat haar verantwoordelijkheid voor haar broers was geëindigd. Op de avond van haar vijftiende verjaardag pakte Kitiara haar biezen, stopte haar broers in bed en vertrok van huis.

Tasslehoff
Dezelfde week dat Kitiara uit Solace vertrok, kwam een 23 jaar oude kender aan, die Tasslehoff Burrfoot heette. Hij had een zak vol kaarten, waarvan hij er zelf ook een paar had gemaakt. Tas begon het einde van zijn Zwerflust te voelen. (Op één of ander moment in hun leven krijgen alle kender opeens de onbeheersbare drang om te reizen en "een kaart van elk land te maken". Niet dat er ook meer één kender in was die ooit een complete kaart van zijn of haar omzwervingen maakte; en Tasslehoff zei dat zijn kaart in de war raakte door een ongelukkig incident met een magische transport-ring die hem naar onbekende landen bracht. Gelukkig heeft niemand de bewuste ring ooit gezien -of het verhaal geloofd.)
Behalve een onstopbare vloed aan ongelofelijke en fantastische verhalen liet hij nooit veel los over zijn verleden; het enige dat iedereen zeker wist was dat hij ergens uit een verre oostelijke streek kwam en dat hij een echte Burrfoot was.
Tas vertrok van huis met alles waarvan zijn ouders dachten dat het nodig was om een kender te laten overleven in de wereld. Behalve zijn kaarten (moet nog vermeld worden dat Tas - zoals de meeste kender - gek op kaarten is?) droeg hij een rol sterk touw, zijn hoepak en nog een tas vol met van alles dat hij tijdens zijn leven "vergaard" had. Want Tas was een "handler," zoals de meeste kender. (De term "dief" wordt door alle kender als zijnde smakeloos en beledigend beschouwd.)
Tijdens het lentefeest van het jaar 339 kwam Tas in Solace aan. De wegen waren weer begaanbaar, het reisseizoen was net begonnen en Flint, die de hele winter hard had gewerkt om zijn reis naar het zuiden voor te bereiden, stalde zijn waren uit. Tas slenterde voorbij Flints kraam en stopte om Flints handwerk te bewonderen. Zijn blik viel op een koperen armband. Hij was prachtig. Tas raakte in vervoering. Hij keek om zich heen. Tanis, die zich gewoonlijk niet met de verkoop bemoeide, ontbeet in de Inn of the Last Home. Flint was naar de achterkant van zijn tent gelopen om meer koopwaar te halen. Kortom, er was niemand in de buurt.
Tas paste de armband. Hij paste perfect - hij was duidelijk voor hem gemaakt. Hij draaide zijn arm heen en weer, bewonderend hoe de armband het licht weerkaatste. Hij keek weer rond, op zoek naar de eigenaar van de kraam om naar de prijs te vragen. Er was niemand. "Nou," dacht Tas, "ik kom later wel terug!", en liep weg. Jammer maar helaas was hij nogal verstrooid, en was hij glad vergeten de armband terug te leggen.
Tas was nog niet erg ver gekomen toen hij tot staan werd gebracht. Achter hem was de vreselijkste opschudding ontstaan. Toen hij zich omdraaide om te zien wat er gebeurde, zag hij een stukje terug een woeste dwerg met een rood gezicht die iets over "dieven!" en "wachters!" schreeuwde. Tas staarde vol verbazing naar de dwerg, zich afvragend waar al die opwinding goed voor was. Maar, bedacht hij, de boze dwerg miste blijkbaar iets, en Tas keek maar eens rond, hopend de snode dief te ontdekken in de bezoekers van de drukke jaarmarkt. Maar hij kon niets ontdekken, en toen hij zich weer naar de dwerg omdraaide stond die vlak voor zijn neus, rood aangelopen en kort bij adem van woede - hij leek zelfs wel bozer dan eerst! De dwerg stampte met zijn voeten, greep Tasslehoffs arm en rukte die er bijna af terwijl hij zijn armband terug probeerde te pakken, onderwijl woest rauwe klanken in het dwergs uitbrakend.
Tanis kwam terug van de herberg en vond een grote menigte die zich rond Flints kraam had verzameld. Het was niet het soort menigte waar hij van hield, en toen hij Flint hoorde brullen, zuchtte hij en baande zich een weg door de menigte van starend en lachend publiek. In het midden van de kring die zich voor de kraam gevormd had, vond hij een welhaast buiten zinnen geraakte partner die op het punt stond een onschuldig kijkende kender in elkaar te slaan.
Er was geen moment te verliezen - Tanis duwde de mensen opzij en sleepte Flint snel mee naar de kraam. De kender volgde...dit was leuker dan hij in tijden had meegemaakt! Tanis keek de dwerg vragend aan, en Flint schreeuwde iets onbegrijpelijks en wees op de kender, die met een verbaasde blik om zich heen keek. "Oh, DEZE armband!" zei Tas, en een blik van de allerzuiverste onschuld trok over zijn gezicht. Eindelijk begreep hij het. Hij was heus niet van plan geweest de armband stelen: hij was gewoon weggelopen en vergeten hem te verwijderen! Flint gromde wat, mompelde iets onverstaanbaars over kender en zwijnen en Tanis, op het punt in lachen uit te barsten, hield zijn partner in bedwang. Hoe dan ook, Flint accepteerde Tas' uitleg onder veel protest en op aandrang van Tanis. "Jij kent die *** kender niet," voegde de dwerg Tanis nog toe, en hij schudde een dreigende vuist richting Tas, maar die grinnikte alleen wat, stak zijn kleine knuistje uit en stelde zich voor: "Tasslehoff Burrfoot, om u te dienen!".
Subtiel veranderde Tanis van onderwerp en zei tegen Flint "Weet je dat ik net over een nieuwe route naar het zuiden heb gehoord? Misschien is dat wel korter als we toch naar het zuiden gaan." "Nieuwe route?" vroeg Tas opgewekt. "Ik heb toevallig net een kaart..." De kender greep in zijn zak en trok een kaart te voorschijn, waarbij hij er nog twintig op de grond liet vallen. Tanis raapte ze op, en was verbaasd over wat hij zag: er waren kaarten van landen waar hij nooit over had gehoord, kaarten van landen die bekend leken maar toch anders waren. En Tas, die zijn ogen alweer over de waar had laten glijden, zag hem naar zijn kaarten staren en stak trots zijn borst vooruit. Al snel raakten hij en Tas in een gesprek verwikkeld, terwijl Flint in een nijdige bui door de kraam stampte, eventuele kopers met een boze blik verjagend. En zo gebeurde het - voordat de dwerg wist wat er gebeurde was Tasslehoff Burrfoot een metgezel geworden, en zaten ze met elkaar opgescheept.

Kitiara keert terug
Na een jaar of twee kwam Kitiara terug van haar eerste tocht. Ze was langer en sterker, met een gebruinde huid. Ze zei niet waar ze geweest was, maar gaf haar stiefvader geld waarvan ze kon eten en slapen voor zo lang als ze in zijn huis wilde blijven. Ze had nu een kort zwaard - een echte - en droeg een klein schild. Caramon, die op een dag haar zwaard onderzocht, was vol eerbied toen hij opgedroogd bloed op de schede vond. Hij vroeg haar er naar, maar ze haalde gewoon haar schouders op en glimlachte. Wel had ze voor hem ook een echt zwaard gevonden, en al snel zagen de buren de twee voor het huis heen en weer dansen, zwaard in de hand.
De kracht en behendigheid van haar broer waren Kitiara een lust voor het oog, maar ze was minder gelukkig met Caramons karakter. Op een dag zagen ze aan de rand van het dorp een paar jongens, die een machteloze Raistlin aan het treiteren waren en hem heen en weer gooiden. Kitiara hield zich in, om te kijken wat Caramon zou doen. Woede was op zijn gezicht te lezen; hij rende naar Raistlin en haalde doelbewust uit naar één van de jongens. Die klap kwam behoorlijk hard aan; de jongen viel op de grond en de anderen keken naar elkaar, en toen naar de jongen op de grond die niet meer overeind kwam. Toen renden ze weg, en Caramon draaide zich voldaan om, alleen om een duistere blik van Kitiara te krijgen.
"Waarom liet je ze weg komen?" vroeg ze, terwijl ze Raistlin op de voet hielp en het bloed van zijn gezicht af veegde. "Kijk wat ze je broer hebben aangedaan! Je moest achter ze aan gaan en ze laten boeten, allemaal!" Caramons mond viel open. Toen deed hij hem dicht en lachte. "Ach, die jongens bedoelden niks kwaads," zei hij. "Het zijn mijn vrienden. Ik zal met ze praten en dan zullen ze wel zeggen dat het ze spijt. En daarna kunnen we weer met z'n allen spelen." Dit gezegd, draaide hij zich om en liep vrolijk fluitend weg.
De jaren gingen voorbij. Kitiara kwam en vertrok met haar geheimzinnige tochten. Ze kwam altijd terug met geld en woeste reisverhalen, en toen ze vierentwintig was, kwam ze een keer terug om te horen dat zowel haar vader als moeder dood waren: haar stiefvader was uit een hoge boom gevallen, en daarna was haar moeder in één van haar vreemde buien geraakt en er nooit meer uitgekomen. Ze teerde weg, en weigerde steeds te eten of te drinken.
En hoewel de broers op hun zestiende een moeilijke tijd achter de rug hadden gehad, konden ze wel goed voor zichzelf zorgen: hun ouders hadden tenslotte nooit veel aandacht aan hun opvoeding besteed.
Raistlin vorderde goed in zijn studies, hoewel hij dacht dat de Meester te langzaam ging en hij maar moeizaam opschoot. Hij verveelde zich vaak in de klas en deed geen moeite zijn gapen te verbergen. Hij wist dat hij gewoon beter was dan zijn leeftijdsgenoten - slimmer en handiger. Hij leek weinig op ze, en deed nauwelijks mee aan hun ruwe en domme spelletjes. Hij moest al zijn kracht voor zijn studie bewaren, want dat was nog steeds zijn enige liefde.
Raistlin was een makkelijke prooi voor pestpartijen (natuurlijk vooral als Caramon niet in de buurt was). Maar Caramons vuisten en kracht maakten veel potentiële treiteraars huiverig, en Raistlin werd meestal met een zeker afstandelijk respect behandeld. Eén ding maakte dat Raistlin toch altijd een zekere wrok tegenover zijn broer voelde: Caramon was knap en populair, en het ging hem makkelijk af een grote vriendenkring op te bouwen. En, hoewel slechts enkelen Raistlin mochten of vertrouwden, tolereerden ze de magiër omwille van zijn broer - de twee waren bijna nooit gescheiden.
Hoewel de broers wat geld en bezittingen geërfd hadden, waren ze zeker niet rijk, en dat zorgde soms voor problemen. Gelukkig kon Caramon af en toe wat eten met jacht bij elkaar sprokkelen, had hij allerlei baantjes en bracht Raistlin wat geld in het laatje met zijn toverkunsten - wat overigens tegen alle schoolregels was, en alleen oogluikend door de Meester werd toegestaan.

Tasslehoff redt
En op een dag gebeurde het, dat Tasslehoff Burrfoot door Solace zwierf, toen hij een menigte zag die naar een voorstelling keek. Nieuwsgierig als altijd, kuierde Tas er naar toe om te kijken wat er gebeurde: in het midden van de kring toeschouwers vond hij een jongen met een magische goochelshow - truuks aangevuld met licht en geluid. Er stond een hoed bij zijn voeten, en Tas stond al bijna vooraan (hij vroeg zich af waarom die hoed daar eigenlijk zo eenzaam op de grond lag).
Maar opeens zag Tas een gerimpelde en beringde hand op zijn schouder, die hem zonder pardon opzij schoof; en toen hij langs de arm omhoog keek zag hij dat de hand aan een oude man met een witte baard en een dure mantel toebehoorde, een man die zich met bruuske gebaren door de menigte werkte en de kleine tovenaar (die net een berglandschap van gloeiende vuurbollen gebouwd had) bij de schouder greep. "Hoe durf je je vaardigheden voor geld te gebruiken," schreeuwde de man, terwijl hij de jongen heen en weer schudde. En met de jongen schudde ook het fantastische landschap heen en weer, en een aantal mensen lachte - een lach die al snel in gejouw overging toen het landschap langzaam vervaagde om plaats te maken voor het verontwaardigde gezicht van de Meester, die daarom alleen maar bozer leek te worden. "Je ruïneert zo de reputatie van mijn school!", beet hij de jongen toe. Het gezicht van de jongen betrok, en een paar omstanders mompelden dreigend toen het er naar uitzag dat de Meester de jonge goochelaar aan een oor mee naar huis zou sleuren. De spanning was te snijden, tot een heldere stem door de menigte klonk. "Hee, van wie is deze prachtige ring eigenlijk?" En onwillekeurig bekeken de meesten hun handen, want die stem hadden zij de laatste tijd maar al te goed leren kennen. Een verraste kreet klonk uit de mond van de magiër, en plotsklaps leek hij alles over de jongen in het midden van de kring vergeten te zijn. Met een dreigende blik in de ogen stapte de Meester op een tenger figuurtje aan de rand van de kring af, een figuurtje dat onder bewonderend gefluit de ring tegen het zonlicht hield, zodat de bloedrode steen op de ring het naar alle kanten reflecteerde.
"Hier, hier, gooi hem naar mij," riep een potige jongen aan de andere kant van de kring. "Leuk, een spelletje!", glimlachte Tasslehoff, en vol plezier gooide hij de ring naar de jongeman, die hem behendig opving en hem met een lach van de ene in de andere hand overgooide. De magiër, draaide zich om en kwam nu op de jongen af, die de ring net zo snel weer naar Tas overgooide. Een paar mensen begonnen te lachen, en de magiër liep rood aan - hij ontplofte bijna van woede en riep "Het is duidelijk...Solace wordt echt een verblijfplaats voor allerlei uitschot!". Tas en de jongen kregen het plezier van het spel net te pakken toen een langere, oudere jongen er tussen in stapte, de ring van Tas afpakte en hem met een buiging en een verontschuldiging aan de Meester terug gaf. Ondertussen was de jonge tovenaar al in de menigte verdwenen; de Meester leek hem helemaal vergeten te zijn. Bruusk en met een boze blik nam hij de ring aan, en mompelde iets onverstaanbaars over 'de jeugd van tegenwoordig' voor hij zich omdraaide en ook wegliep.
"Hè Sturm, nu heb je ons plezier bedorven," zei de potige jongen goedgemutst terwijl de menigte uit elkaar viel en ieder zijns weegs ging. Sturm, de oudere jongen, was lang, slank en goed gebouwd, maar droeg een serieuze uitdrukking op zijn gezicht, een uitdrukking die hem ouder maakte dan hij waarschijnlijk was. "Caramon", stelde de robuuste jongen zich aan Tas voor, "en bedankt voor de hulp. Mijn broertje vergeet de tijd nog wel eens als hij in zijn eigen wereldje is." Een kort kuchje klonk, en Tas draaide zich om om de jonge goochelaar achter zich te zien staan. "En dit is Sturm, Sturm Brightblade." De oudere jongen boog even deftig, maar de tovenaar zei niets -hij bestudeerde Tas met ogen die zich in de kenders ziel leken te graven. "Raistlin is mijn tweelingbroer," zei Caramon met een blik vol genegenheid naar de goochelaar, en het scheen Tasslehoff toe dat een nauwelijks zichtbare grimas even over Raistlins gezicht trok. "Vreemd," dacht Tas, "de één zo open en vriendelijk, de ander zo somber en gesloten"; maar hij was ook benieuwd naar de jongeman, die een stille, nobele uitstraling had. Het was duidelijk dat hij niet uit Solace kwam, verhalen genoeg te vertellen dus! Tas nodigde ze thuis uit, "en dan kunnen jullie mijn dwerg ook zien!"
Tanis was er niet, want die was op reis naar Qualinesti. Hij voelde af en toe heimwee, hoewel het hem altijd speet uit Solace te vertrekken. Flint was dus alleen, en hij zat tegen de boom waarin het huis gebouwd was (zoals alle huizen in Solace). Daar zat hij een stukje hout te bewerken toen hij het rumoerige groepje aan zag komen. Hij mompelde wat toen Tas met zijn nieuwe vrienden op kwam dagen, sarcastisch opmerkend dat "een stel kinderen ideaal gezelschap zijn voor kender". Hoe dan ook, de dwerg klauterde de boom in en stond even later een heerlijk avondmaal in elkaar te timmeren; en bij tijd en wijle klonk er een vrolijk gefloten deuntje naar beneden. En na het eten zat iedereen bij het vuur verhalen te vertellen, en de avond bracht Flint met evenveel plezier door als Tas (hoewel hij het later natuurlijk voor geen goud toe zou geven).
Caramon deed al het praten voor hem en zijn broer, terwijl hij hun zus, hun overleden ouders en hun alledaagse leventje tot in detail beschreef. Maar Raistlin zat vlak bij in het vuur te staren, zijn ogen af en toe vol glinstering oplichtend als Caramon hem aansprak, met een grap of een gedeelde herinnering.

Sturm Brightblade
Maar de oudere jongen, Sturm, verbaasde dwerg en kender door ernstig te verklaren dat hij de zoon van een beroemde Ridder van Solamnia was. Tas keek op, want van Solamnia wist hij het een en ander. De Ridders hadden in het noorden een slechte reputatie gekregen, en veel mensen daar spraken met wantrouwen en een duistere blik in de ogen over hen. Maar Sturm keek hem aan alsof hij wist wat hij dachten en hief trots het hoofd. Zijn vader was een Ridder in wie het bloed zuiver en waar stroomde, zei de jongen, en in hem was het Ridderschap altijd oprecht en zonder blaam geweest. Hij had Sturm - zijn enige zoon - en zijn vrouw naar het zuiden gestuurd toen hij vermoedde dat er problemen op komst waren. Eerst zou het maar even duren tot hij en zijn moeder weer naar huis zouden gaan, zei Sturm, maar inmiddels was er nog steeds geen goed nieuws en woonde hij al een tijd in Solace. Maar – zei hij met overtuiging – als hij volwassen was zou hij zeker terugkeren, en dan zou hij opnieuw de zoon van de kasteelheer zijn.
Hierbij stootte Caramon Raistlin aan en beiden keken veelbetekenend naar Sturm. "Hij heeft al jaren niets van zijn vader gehoord," fluisterde Caramon luid, maar Raistlin schudde zijn hoofd om Caramons ruwe gedrag en Sturms gezicht werd zo rood dat het zelfs in het gloeiende halfduister van het dovende vuur nog te zien was. Flint veranderde snel van onderwerp, toen hij zag dat zijn nieuwsgierige kender-vriend op het punt stond een onbeschaamde vraag te stellen, dus vroeg de dwerg hen naar over hun vechtkunsten. Sturm en Caramon sprongen beiden op, verlangend om hun vaardigheden te laten zien. Er begon een vriendelijke stoeiwedstrijd die eindigde met omgevallen meubels en gebroken servies. En daarna vroeg Tas, die zag dat Raistlin de andere jongens afgunstig bekeek, hem nog wat goochelkunsten te vertonen. Zo kwam het, dat de avond vrolijk eindigde en het ongeregelde groepje regelmatige bezoekers van het huis van de dwerg werd.

Tanis redt
Een maand later kwam Tanis terug van zijn reis naar het zuiden, en toen hij tegen het vallen van de avond vlak bij Solace was, hoorde hij plotseling een ijzige angstkreet. Hij greep zijn zwaard, en rende lichtvoetig door de vallende duisternis van het plots doodstille woud. Tenslotte rende hij een open plek in het bos binnen, waar een verwoed gevecht aan de gang was. Een jonge vrouw werd belaagd door een groep harige, stinkende hobgoblins, en Tanis kwam net op tijd om de laatste bandiet met een flitsende zwaardstoot te doden. Maar tot zijn verbazing bedankte de jonge vrouw hem niet, maar keerde jonge vrouw zich tegen hem, en Tanis deinsde terug toen ze hem met haar wapen bedreigde en hem onder een regen van onbeschaamde vloeken achteruit dreef, het bos in. "Ik had de situatie goed onder controle," beet ze hem toe. "Hoe durf je mijn gevecht te vergallen?"
En Tanis, die nog altijd naar achteren liep terwijl ze haar zwaard met dodelijke precisie hanteerde, protesteerde dat hij gegil had gehoord. "Allicht." zei ze met minachtend opgetrokken wenkbrauwen, terwijl ze met haar besmeurde zwaard naar een dode hobgoblin wees, die met een dolk aan een boom vast zat, "Het mormel gilde wat voor het einde." Tanis kon een geamuseerde uitdrukking op zijn gezicht nauwelijks onderdrukken. Jammer genoeg struikelde Tanis op dat moment over een boomwortel, en hij verloor zijn evenwicht terwijl hij zich uit alle macht de jonge vrouw van het lijf probeerde te houden. Maar alles tevergeefs - ze liet haar zwaard vallen en was in een flits bovenop hem, en er was geen houden meer aan: Tanis was helemaal gefascineerd door deze wilde, donkere, prachtige vrouw. Hun strijd werd een vriendelijke worstelwedstrijd in de bladeren, de worstelwedstrijd werd 's nachts vriendelijker - en Tanis' leven was voor altijd veranderd.

Het boottochtje
Flint, die op Tanis wachtte om met zijn reizen te beginnen, was verbaasd toen hij merkte dat Caramon en Sturm, hoewel beiden uitstekende vechters, niets van de natuur wisten - dus hadden hij en Tas al snel besloten, dat er een kampeertocht zou komen. Eerst wilden ze alleen Caramon en Sturm meenemen, maar Caramon wilde niet zonder zijn broer gaan, die toestemde omdat hij dan even weg zou zijn van school en hij bovendien de bladeren en kruiden die hij gebruikte als spreukbenodigdheden kon verzamelen. De kampeertocht was een groot succes totdat Tas een boottochtje voorstelde. De kender "leende" een boot en ze voeren het Crystalmir-meer op. Toen zag Caramon vlak onder het water een prachtige vis, en probeerde het grote beest met zijn handen te vangen. De boot was op zoveel geweld natuurlijk niet bedacht en kantelde dan ook prompt, zodat iedereen in het water belandde.
Raistlin, die snel dacht, dook op onder het vaartuig en was vrij veilig in de luchtruimte onder de omgeslagen boot. Sturm en Tas, die allebei een beetje konden zwemmen, hadden de boot al snel gekanteld en ontdekten Raistlin die kalm in het water deinde. Caramon zonk echter als een steen, en Flint dook vloekend achter hem aan: er klonk veel geschreeuw en geplens en gegurgel - en daarna een verschrikkelijke stilte. Zowel Tas als Sturm werden nerveus toen er niemand boven kwam, en doken weer het water in. Sturm bracht Caramon naar boven, die kuchte en hoestte maar al snel weer in zijn gewone doen was. Hij dacht dat het een grote grap was. Tas zwom naar beneden en ontdekte een half verdronken Flint, met zijn zware laarzen vastgeraakt in een bosje hardnekkige waterplanten en in staat van enorme paniek. De gezamenlijke inspanningen van Tas en Sturm waren nodig om de dwerg de boot in te hijsen. Ze roeiden terug naar de oever, terwijl Flint in het midden van de boot lag te huiveren, met ogen vol afgrijzen. "Nooit meer, NOOIT meer water", was het enige dat ze uit hem konden krijgen toen ze hem aan de kant hesen.
Kitiara en Tanis keerden samen naar Solace terug. Tanis was compleet ondersteboven van haar woeste schoonheid; op haar vierentwintigste had Kitiara zich tot een opvallende verschijning ontwikkeld. Ze droeg haar zwarte haar nog steeds kort, het krulde rond haar gezicht en gaf haar een, verre van mannelijk, gevoelig vrouwelijk uiterlijk dat haar kracht loochende - zolang je niet in haar koude, ernstige ogen keek, want die konden je ijskoud opnemen.
Kitiara had zich in de krijgskunsten geoefend, met het zwaard geoefend tot ze zelfs de bewondering van haar vader verdiend zou hebben, een oefening compleet met tactische en strategische inzichten. Over haar verleden had ze hem niet veel verteld, niet meer dan dat ze in vele delen van Ansalon was geweest, en overal voor verschillende heren gevochten had. Ze keerde terug naar Solace, zei ze, om haar kleine broertjes te bezoeken. Ze vertelde Tanis over de jongens met een bijna moederlijke trots die hij vertederend vond.
En wat Kitiara betreft, zij voelde zich meer tot Tanis aangetrokken dan tot elke andere man die ze was tegengekomen. Net als haar vader had ze de gave, dat ze hartstochtelijk en met grote overgave verliefd worden. Maar in tegenstelling tot haar vader kon ze haar hartstocht beheersen en bleef ze in staat haar zaken duidelijk op een rijtje te zetten. Ze mocht Tanis omdat hij zo anders was dan zijzelf. Hij kon heel lang op iets zitten te broeden, vooral als dat met hemzelf te maken had, en dat bewonderde ze wel; aan de andere kant dreef ze de spot met het feit dat Tanis altijd eerst een zaak van alle kanten wilde bekijken voor hij tot actie overging.
Toen ze de volgende dag in Solace aankwamen, nam hij Kitiara mee naar Flint en Tas, omdat hij haar vermaakt had met ontelbare verhalen over dit onwaarschijnlijke paar. Daar vonden ze Flint in bed met een zware verkoudheid die van het bootongeluk hij had overgehouden. En, tot Kitiara's opperste verbazing, vonden ze ook haar kleine broers en hun vriend Sturm.

Idylle
Een paar maanden lang was Flint bedlegerig door zijn ziekte, en daarom kon zijn jaarlijkse tocht naar Qualinesti niet doorgaan. Maar niemand vond het erg: Kitiara ontdekte dat Solace niet zo saai was nu ze Tanis had, en Kitiara, Tanis, Tas, Caramon, Raistlin en Sturm werden snel vrienden, en gingen regelmatig jagen en kamperen. Tijdens die uitjes vertelde Tanis over de elfen, hielden ze vriendschappelijke gevechten en wedstrijdjes, en vertoonden Raistlin en Tasslehoff goochelaarskunstjes. Maar Flint moest in bed blijven, en als het groepje vrienden er weer eens vandoor ging mompelde hij iets over het missen van alle pret, en bromde sikkeneurig in zijn baard terwijl Tas hem nog eens extra warm instopte. En zo verstreek het jaar, en iedereen dacht dat het eeuwig zou duren. Bij het beginnen van de winter ontmoette de groep elkaar dagelijks in de Inn of the Last Home, het gezelligste en belangrijkste gebouw van Solace. Daar kwamen ook veel reizigers, en van hen hoorden ze vaak verhalen over verre landen en vreemde gebeurtenissen. Gelukkig was Flint al snel in staat weer te werken, en begon hij de tocht van het volgende jaar voor te bereiden.
Maar er gingen geruchten van groeiende problemen in het land: struikrovers, roofridders, ogers, goblins en erger zwierven door gebieden die eerst van zulke verschrikkingen gevrijwaard waren gebleven, en beroofden nietsvermoedende reizigers en argeloze kooplui. Daarom stelde Tanis Flint voor dat ze Sturm en de tweeling mee zouden nemen als extra bescherming voor de zomertocht; die zouden zo bovendien hun wapenkunsten kunnen aanscherpen. Flint stemde toe, en de hele groep begon de tocht voor te bereiden.
Maar de avond voor hun reis klopten Raistlin en Caramon bij Flints huis aan; en Tanis voelde onheil dreigen toen hij zag dat Caramons gezicht treurig stond, iets wat op zich al opvallend genoeg was. Toen hij vroeg wat er was, probeerde Caramon iets te zeggen, maar er zat een fikse brok in zijn keel. Op koele, gereserveerde toon vertelde Raistlin Tanis toen dat Kitiara vertrokken was. 's Avonds was ze niet bij het eten op komen dagen, en ze had alleen een briefje achtergelaten. Daarin stond alleen dat de broers voor haar van Tanis afscheid moesten nemen, en dat ze zou hem in de herfst weer zou zien.

De reizen
De volgende dag vertrokken de metgezellen, en zo begonnen de vele gezamenlijke reizen van de komende jaren. Soms ging Kitiara met hen mee, en soms konden er maanden verstrijken zonder dat ze iets van haar te horen kregen. Maar terwijl ze door het land reisden, viel het hen op dat ze meer en meer tekens van achteruitgang en achterlijkheid zagen: in alle plaatsen die ze aandeden eerden de mensen vreemde goden, goden die geen macht leken te hebben, onwetendheid en angst gingen hand in hand - en magiërs werden met achterdocht bekeken. Ziektes woedden over het land, en hele gemeenschappen sloten zich af om de kwade invloeden van buitenaf tegen te gaan. Dokters bleken kwakzalvers, geestelijken bleken charlatans, en Raistlin had er een grimmig plezier in deze valse geestelijken aan de tand te voelen, en waar nodig als bedriegers te kijk te zetten. Hoe dan ook, hij hield Caramon en Sturm flink bezig: woedende geloofsfanaten waren er regelmatig op uit de jonge tovenaar gevangen of op de brandstapel te zetten, en dan konden ze hem soms maar ternauwernood uit de moeilijkheden houden.

De metgezellen scheiden
Maar na een tijd werd het min of meer onmogelijk om handelsreizen te ondernemen. Het was simpelweg te gevaarlijk onderweg. De handel stagneerde, en Flint verklaarde dat hij maar met pensioen zou gaan. Op Heldenmoet van het jaar 350 (de dag dat vriendschap gevierd wordt) verzamelden de metgezellen zich in de Inn of the Last Home. En iedereen voelde dat dit de laatste keer in lange tijd zou zijn dat ze samen waren. Sturm was nu achtentwintig, en kondigde aan dan toch eindelijk naar het noorden af te reizen om zijn erfenis te zoeken. Kitiara bood aan met hem mee te reizen, omdat ze haar vaders familie op wilde zoeken om te zien wat ze voor haar konden doen.
Raistlin en Caramon waren vierentwintig. En hoewel Raistlin goed vlotte in zijn studies en zijn aanleg keer op keer bewezen had, was hij te jong om al als meester op eigen benen te kunnen staan. Maar hij had een brandende ambitie; hij zou de toppen van zijn vak bestijgen en wijdde daarom vele uren aan zijn studie. Verder werkte hij aan geheime plannen over een reis voor hem en zijn broer. En Caramon haalde zijn schouders op, lachte en zei dat hij klaar was om overal naar toe te gaan waar zijn broer heen wilde, zo lang hij maar af en toe een paar hobgoblin-koppen tegen elkaar kon slaan.
Kitiara en Sturm nodigden Tanis uit met hen mee te gaan op hun tocht naar het noorden. Maar Tanis weigerde; hoe meer hij zich tot Kitiara aangetrokken voelde, des te groter werd zijn innerlijke conflict. Liefde tussen een elf en een mens kon alleen in een tragedie eindigen, wist hij - want Kitiara zou ouder worden en sterven terwijl hij nog steeds een vrij jonge man was. Hij hoopte door te vertrekken en een tijd alleen te reizen zekerheid te verwerven over zijn houding en misschien zelfs hulp te vinden van een macht van buitenaf - misschien zelfs van de oude goden. Daarom kondigde Tanis aan dat hij voor zichzelf een queeste had vastgesteld: om overal in het land bewijzen van ware goden te vinden. De anderen waren het met hem eens dat dit inderdaad een uitdagende opdracht was, en beloofden plechtig de landen die ze bezochten zelf op bewijzen van hun bestaan te onderzoeken.
Tas meldde dat hij moe was de zelfde uitzichten steeds weer te zien; hij zou maar eens naar de oostelijke vlaktes reizen om te zien wat er van zijn ouders geworden was. En vanaf daar zou hij gaan waar zijn voeten hem brachten.
Flint bromde dat ze hem allemaal in de steek lieten. Maar ook hij had reisplannen: er gingen geruchten dat gullydwarfs er in zijn thuisland gesignaleerd waren en hij wilde uitzoeken wat er aan de hand was. Uiteraard weigerde hij toe te geven dat hij heimwee had, en dat hij verlangde naar een blik op de heuvels waar hij opgegroeid was. "Alleen een kraaiende idioot zoekt naar een waar geloof", zei hij tegen Tanis "dat is me nu wel duidelijk". Maar hij beloofde hoe dan ook de dwergenheren te vragen naar de oude legendes over dwergse geestelijken.
Toen werd hun ernstige gesprek ruw onderbroken door de capriolen van een speels meisje, ongeveer zestien, dat de Inn was binnen gekomen. Het roodharig, mager, en sproetig wicht kroop achter Caramon en liet behendig zijn dolk uit de schede glijden, om er vervolgens achter zijn hoofd mee kunstig van hand naar hand te gooien. Caramon zag iedereen glimlachen, en glimlachte maar wat mee, tot het meisje zichzelf verried met haar gegiechel. Prompt liet ze de dolk vallen, en Caramon sprong op om haar door de herberg te achtervolgen, vallend over stoelen en tafels. Uiteindelijk dreigde Otik Sandath, de herbergier, hen eruit te gooien. Het meisje sprong op een omgevallen tafel, stak haar tong uit naar Caramon maar verliet daarna de herberg onder een dreigende blik van Otik.
Caramon schoof weer aan tafel bij zijn vrienden terwijl hij verbouwereerd met zijn hoofd schudde. "Ik zweer je, die Tika is het lelijkste kind dat ik ooit gezien heb," zei hij. "Haar vader zal het moeilijk krijgen om haar uit te huwelijken." De groep lachte, maar werd daarna stil. Allen wisten dat ze een gevaarlijke tocht gingen ondernemen. Misschien zouden ze elkaar niet meer zien. Toen sprak Tanis.

"Elk jaar op deze bjzondere datum," zei hij, "zal elk van ons die in de buurt van Solace is naar de Herberg komen. Op die manier zullen we elkaar in ieder geval nog eens zien. Kom, laten we zweren over een jaar hier allen te zijn." "Als we dan nog in leven zijn," mompelde Raistlin, terwijl zijn donkere ogen glommen. Iedereen zweeg even terwijl ze de betekenis van dit moment indronken, en alleen het knappen van het haardvuur verstoorde de stilte.
Alle metgezellen zwoeren het. Ze probeerden een paar grappen te maken, maar er leek niets meer over te zijn om over te lachen. Na een tijdje raakte Raistlin zijn broer aan en knikte naar de deur. Caramon kwam overeind, keek de anderen aan en zweeg. Toen liep hij samen met zijn broer naar de uitgang en verdween in de donkere nacht. En zo vertrokken ze één voor één, iedereen behalve Flint.
En de dwerg bleef nog lange tijd in de Herberg, terwijl hij in het vuur staarde en bedroefd zijn hoofd schudde.

Information

Moderators

Herzog